Maar goed, ik ken de Dolomieten alleen maar van autotoertochten; de routes die je uit de beschikbare wegen en passen kunt combineren zijn haast eindeloos. Maar op vakantie was ik er nooit geweest en mijn vrouw en kinderen nog nooit!
Dus na 11dagen in Tirol reden we vorige week dinsdag naar het ‘val di Fassa’, een populaire bergdal in de Dolomiten, oostelijk tussen Trento en Bolzano. De heenweg koos ik via de Brenner, maar vanwege een 3km lange file bij de Europabrug koos ik ervoor om bij Innsbruck-Sud de autobaan te verlaten en daar de oude Brennerpas te volgend; dit is nog veel leuker, zij het met amper 129pk in een vol-bepakte C180 met een EML handicap. Dat werd veel meer merkbaar tijdens de tocht door het noordelijker gelegen ‘Val Gadena’ en de daarop volgende ‘Sellajoch’. Deze was bezaaid met langs de weg geparkeerde auto’s en touring-cars dat van enig doorkomen geen sprake kon zijn; voor mijn gevoel heb ik wel dertig keer de onhandige hellingtrekprocedure van ‘voetrem’ en ‘koppeling’ op de meest onhandige plekken toegepast. Leuk is anders, maar het uitzicht is zoals de deelnemers aan de Alpentoertocht weten geweldig.
Na een korte pauze op het Sellajoch, zijn we richting Canazei afgedaald om vandaar uit richting ons Hotel in Campitello te rijden waar we in de namiddag arriveerden.
Woensdagochtend hebben we de Panoramapass aangeschaft, welke voor een alles-sinds redelijk tarief je de mogelijkheid geeft om van alle kabelbaanverbindingen in het Fassa-dal gebruik te maken. Hiermee kom je vrij gemakkelijk op de hogere delen van de Dolomieten zodat je optimaal van je tijd in de bergen kunt genieten. In tegenstelling tot Fiss heb ik geen grote bergtochten ondernomen, maar wel de boel verkend. De kabelbaanverbindingen zijn hiervoor een ideaal uitgangspunt.
Omdat de bergstations en de wandelwegen veel hoger liggen dan de met de auto toegankelijke bergpassen krijg je ene heel andere indruk van de omgeving. Vanuit Col Rodella zie je in de verte het Pordoi-joch liggen, die met zijn meer dan 2200mtr niet bepaald laag te noemen is.
Vanuit Col Rodella ligt bijvoorbeeld ook de ‘Sellajoch’ binnen handbereik, en even verder daarop de Grodnerjoch, al is deze laatste niet direct op loopafstand.
Veel leuker dan de autowegen is het om de bergwereld te verkennen zoals de Friedrich-August weg langs de Langkofel en Plattkofel.
Een ander leuk uitstapje is de gondellift van Canazei naar Pecol; van daaruit is mogelijk om een andere gondel naar Belvedere op ruim 2400mtr te nemen, van waaruit je een schitterend uitzicht op de Marmolada en het stuwmeer van Fedaia hebt; en jawel, langs de oevers van dit meer loopt de Passo di Fedaia, en van de weinige Alpenpassen die ik nog niet eerder gereden heb.
De loopafstand tussen Belvedere en de Pordoijoch is amper een uur, dus dat gaf mij en mijn jongste zoon (Thomas) de gelegenheid een bezoekje naar Sas Pordoi te brengen; de kabelbaan brengt je in amper vier minuten erheen.
De Sas Pordoi is een onderdeel van de Sellagroep met als hoogste punt de Piz Boe op 3152mtr.
Van oorsprong is het Sellamassief een 300M jaar oud koraalrif; dat vanuit de dalen meer op een kathedraal lijkt dan op een berg-massief. Eenmaal boven op het immense plateau van Sas Pordoi is worden de enorme dimensies van dit massief pas goed zichtbaar.
Maar pas op; dit enorme plateau eindigt net zo abrupt als dat deze begint; op een klein stukje bij het bergstation na, is er totaal geen omheining en met het losse gesteente is argeloosheid je grootste vijand wanneer je dicht bij de meer dan 700mtr diepe afgrond staat.
Bij een volgend bezoek wil ik de Piz Boe vanuit het steile bergpad tussen de Passo Pordoi en de 2850mtr hoge Pordoi-joch beklimmen. De terugweg kan dan wel via de kabelbaan.
Ondanks dat Val-di Fassa deel uitmaakt van de Trentino regio en daarmee 100% Italiaans is, is het Fassa dal net zo verzorgd als de regio Zuid-Tirol. Bij het aanspreken van willekeurige Italianen is Engels nog steeds de betere keus, maar met Duits kun je er prima terecht, iets wat bijvoorbeeld in Lombardije even ten zuiden van de Stelvio zeker niet het geval is.
Het eten is meer dan prima; dat gold zeker voor het hotel, maar ook in de diverse berghutten. Wat opviel is dat Italianen aan de lunch veel meer waarde hechten dan Oostenrijkers. Overal waar je na het middaguur kwam werd je verwelkomd door de geur van de warme keuken en vol bezette gelegenheden, zelfs op afgelegen plekken in de bergen.
Ik ben er te weinig geweest om de wandelmogelijkheden echt te beoordelen, maar van wat ik gezien heb zijn deze voor ieder wat wils. De routes zijn goed gemarkeerd en duidelijk aangegeven. De aangegeven tijden lijken een maat te zijn voor de gemiddelde wandelaar. Een aandachtspunt zijn wel de hogere temperaturen en het kale hooggebergte. Op dagtochten schat ik dat je al gauw een liter extra water per volwassen persoon nodig hebt en dat is wel een kilo extra in de rugzak. Een goede uitrusting, voetvastheid en een goede basisconditie zijn een vereiste en bij tochten in het hooggebergte komen ‘klettervaardigheden’ van pas.
Voor auto toertochten zijn Juli en Augustus de verkeerde keus. Er zijn simpelweg teveel toeristen met middelmatige rijvaardigheden en een slecht inzicht voor het bepalen van hun positie op de weg. Een ander bron van zorg zijn de vele touring-cars van reisorganisaties. Zelfs als je geen kant meer uit kunt (1cm tussen vangrail naast afgrond en zijkant auto) hebben ze nog het lef om aan te geven dat ze nog meer nodig hebben om hun verkeerd gekozen positie te compenseren zonder dat zij hoeven te corrigeren (te vroeg ingezette bocht). De bestuurders van het plaatselijke OV zijn evenals in CH en A (postbus) van een veel hoger niveau.
Al met al heb ik een geheel andere kant van de Dolomieten gezien dan tijdens de vele toertochten met mijn E34 M5. Dat was het hoofddoel en dat is ruimschoots gehaald. Het gebied is van een ongekende schoonheid en is in 2009 niet voor niets opgenomen op de Unesco lijst van wereld erfgoed.